De Vroomkoning te rijk

Gepubliceerd op http://www.ans-online.nl op 10 oktober 2006

Woensdag 11 oktober zal voor de vierde maal het Nijmeegse poëziefestival Onbederf’lijk Vers plaatsvinden. ANS geeft alvast een voorproefje en interviewde Victor Vroomkoning en Joost Zwagerman. Vandaag: Victor Vroomkoning.

In het dagelijks leven luistert hij naar de naam Walter van de Laar. Onder zijn pseudoniem Victor Vroomkoning won hij voor zijn bundel Stapelen de Publieksprijs voor de beste poëziebundel 2005. Sinds 1 september mag de poëet zich stadsdichter van Nijmegen noemen. Morgen brengt hij zijn werk ten gehore in Bibliotheek Mariënburg, vandaag nodigt hij ons uit voor een prettig gesprek bij hem thuis.

Weet u al wat u komende woensdag gaat voordragen?
‘Ik bedenk van tevoren nooit precies welke gedichten ik ga voordragen, dat hangt volledig van het publiek af. Ik schrijf bijvoorbeeld veel over intermenselijke relaties en heb redelijk wat liefdesgedichten in mijn repertoire. Soms is het voor de toehoorders een schok om te horen wat ik onder liefde versta. Als ik merk dat bepaalde gedichten niet goed worden ontvangen, schakel ik meteen over op een ander onderwerp.’

Onbederf’lijk Vers richt zich met name op de student. Merkt u dat studenten veel belangstelling hebben voor poëzie?
‘Studenten zijn over het algemeen niet de groep die het meest is geïnteresseerd in poëzie. Het poëziepubliek in Nederland bestaat voornamelijk uit ‘grijze duiven’; vrouwen van boven de vijftig. De aantal keren dat ik bij verschillende gelegenheden heb voorgedragen aan studenten, onder andere in Diogenes, vond ik ze een leuk publiek. Woensdag verwacht ik echter een iets ouder publiek dan studenten vanwege de locatie.
‘Het aantal studenten in Nijmegen dat zelf gedichten schrijft, valt me trouwens erg tegen. Binnen een grote studentenpopulatie zou ik wel aardig wat dichters verwachten. Ze zijn er wel, wat bijvoorbeeld blijkt uit het tijdschrift Op Ruwe Planken van de vakgroep Nederlands. Toch heb ik het idee dat er vroeger meer dichters onder de Nijmeegse studenten waren.’

U hebt zelf Nederlands en Filosofie gestudeerd in Nijmegen. Hoe verliep uw studententijd?
‘Ik was een merkwaardige student, aangezien ik bij beide studies ouder was dan mijn medestudenten. Filosofie heb ik pas tien jaar geleden gedaan, dus toen viel ik erg op door mijn leeftijd. Na de middelbare school heb ik eerst een eerste- en tweedegraads lerarenopleiding afgerond, dus ook Nederlands ben ik niet meteen na mijn slagen gaan studeren. Toen ik besloot nog doctoraal te gaan studeren aan de universiteit was ik al een stuk ouder dan de meeste van mijn medestudenten. Dat heeft me er zeker niet van weerhouden om van het studentenleven te genieten. Al heb ik sowieso mijn hele leven genoten; daarvoor hoefde ik geen student te zijn.’

Hebt u uw studententijd als inspiratiebron kunnen gebruiken voor uw poëzie?
‘Nee, daarover heb ik nooit geschreven. Mijn belangrijkste thema’s zijn liefde en dood. De dood vind je over het algemeen niet op de universiteit, doordat er toch een vrolijkere stemming overheerst. En ik had geen liefdesleven dat zich afspeelde op de universiteit.’

Sinds kort bent u de nieuwe stadsdichter van Nijmegen. Wat houdt deze functie eigenlijk in?

‘Een stadsdichter heeft verschillende taken. Zo ga ik een paar keer per jaar een gedicht schrijven over een Nijmeegs onderwerp of voor een speciale gelegenheid in de stad. Daarnaast geef ik een aantal workshops op scholen in Nijmegen. Een heel bijzondere taak is trouwens het schrijven van een gedicht bij een ‘eenzame begrafenis’. Dat is een begrafenis waarbij geen enkele bezoeker komt. In zo’n geval word ik uitgenodigd een gedicht te schrijven over de dode en bij de begrafenis aanwezig te zijn. Ik mag dus een soort laatste eerbewijs geven aan het leven dat is verdwenen. Dat trekt me heel erg aan, doordat het met mijn voorkeurthema van sterven en dood heeft te maken. Het enige probleem is dat ik geen goede gelegenheidsdichter ben; ik heb minstens drie weken nodig om een gedicht te schrijven. Als ik enkele dagen voor een begrafenis snel iets moet schrijven, wordt het gedicht dus waarschijnlijk wel bijzonder, maar niet geslaagd.’

Als stadsdichter zult u zich wel aangetrokken voelen tot Nijmegen.
‘Eigenlijk heb ik vrij weinig met Nijmegen. Ik denk dat dit een voordeel is voor mij als dichter. Heel veel mensen grijpen naar de pen als ze jaloers zijn, als ze iemand haten, als ze dolverliefd zijn, als ze helemaal van de wereld zijn. Dat zijn juist de slechtste momenten om te gaan schrijven, want dan komt er niets terecht van een gedicht. Het is juist de afkoeling, de distantie, die je nodig hebt om een mooi boek of een goed gedicht te schrijven. Wat dat betreft ben ik blij dat ik niet van Nijmegen hou.’

DE DEUGD DER LIJDZAAMHEID

Vanmiddag in de tuin een boeddha
geprobeerd, dat viel niet mee:
ik zocht vergeefs naar blijvende
balans, buren kabaalden, mijn ogen
werden bang in hun donker
in mijn kop loeide de verveling
muggen konden mijn bloed wel drinken.

Verderop wist ik de teerbeminde
die me dit had aangedaan
in lotushouding stil en tevreden
omdat ik zo een aantal uren weg
van haar bleef.

(Uit: Stapelen, Victor Vroomkoning, 2005)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s