Anouk Broersma

Wetenschapsjournalist

Fobieën foppen: genezen van trauma’s dankzij virtuele thuistherapie

Virtual reality kan uitkomst bieden bij allerlei fobieën, zoals pleinvrees en vliegangst. En  dankzij nieuwe technologie  zal de therapie met de VR-bril  zich steeds meer richting de  huiskamer verplaatsen.

Dit artikel verscheen juni 2016 in KIJK.

Een busritje of supermarktbezoek is voor velen dagelijkse routine, maar voor mensen met pleinvrees een nachtmerrie. Om de angst om de deur uit te gaan te overwinnen, zit er eigenlijk niets anders op dan de deur uit te gaan. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Bij Denk, onderdeel van GGZ Friesland, kwamen ze rond 2012 op een idee: zou het niet ideaal zijn als patiënten eerst een virtueel kijkje in de bus of supermarkt konden nemen?

Dus maakten ze met een 360-gradencamera filmpjes op verschillende locaties in Leeuwarden, zoals een plein, de supermarkt en de bioscoop. Via een virtual-reality-bril bekijken patiënten die locaties alsof ze er zelf staan. Er zijn verschillende moeilijkheidsgraden: van een rustig plein met een handjevol mensen vanaf een veilige afstand tot datzelfde plein op een drukke kermisdag. Of de therapie werkt weten we nog niet zeker, omdat het onderzoek nog loopt. Maar André Tjaarda, die als psycholoog betrokken was bij de ontwikkeling ervan, ziet in elk geval duidelijke angstreacties. “Voor mensen zonder klachten zijn het saaie beelden, maar patiënten reageren alsof ze naar een spannende film kijken.”

Het is een vorm van virtual-realityexposure-therapie (VRET): de patiënt wordt in een veilige, gecontroleerde omgeving blootgesteld aan zijn ergste angsten en leert er gaandeweg mee omgaan. Helemaal nieuw is VRET niet. In de Verenigde Staten worden ex-soldaten met oorlogstrauma’s al sinds de jaren negentig virtueel teruggestuurd naar Vietnam of Irak. En in ons land wordt VRET bijvoorbeeld ingezet bij vliegangst: gezeten in een vliegtuigstoel ziet de angstpatiënt het voertuig via de VRbril opstijgen en door de wolken suizen. Maar terwijl veel bestaande therapieën gebruikmaken van geanimeerde software, maakte Denk dus echte beelden. Zo’n straatbeeld is nou eenmaal precies waar de patiënten bang voor zijn. En er is nog een verschil: patiënten kunnen thuis oefenen. In eerste instantie was het idee om in de kliniek te werken met Oculus Rift, de VR-bril die in 2013 werd geïntroduceerd en begin dit jaar (eindelijk) op de consumentenmarkt werd uitgebracht. Maar toen was daar ineens Google Cardboard, een simpele, kartonnen VR-bril waarbij je je eigen smartphone achter de lens schuift. En dat voor een prijs van rond de tien euro.

Nu loggen patiënten na een therapiesessie thuis in op een speciale website en vinden daar filmpjes om mee verder te oefenen. Behalve VRET zijn er meer initiatieven om VR thuis in te zetten voor therapeutische doeleinden. Dat heeft ongetwijfeld voordelen – denk aan tijd, geld, een vertrouwde omgeving – maar hoe effectief is het? En kan het de oude, vertrouwde sessie met een ‘echte’ therapeut vervangen?

Botte gesprekspartner

Willem-Paul Brinkman van de TU Delft ziet mogelijkheden in virtuele thuistherapie. Hij werkt binnen het CATCH-project (Computer Support For Anxiety Disorder Treatment At Home) aan de technologie achter een therapie voor mensen met een sociale fobie. Die therapie bestaat uit babbelen met geanimeerde virtuele gesprekspartners (avatars) in situaties als een sollicitatiegesprek of een etentje. Dat stelde het team van Brinkman voor een interessante uitdaging. “Eerdere virtuele werelden die ons lab had ontworpen, bijvoorbeeld voor vliegangst en hoogtevrees, waren vrij statisch: je staat op een trap of zit in een vliegtuig, en je kijkt wat om je heen. Maar nu moest een systeem reageren op wat jij zegt.”

Om dat te bereiken, bouwde het team spraakherkenning in, plus een database vol mogelijke reacties en vervolgvragen per gesprekssituatie. Om een gesprek enger of minder eng te kunnen maken, is er voor elke reactie een positieve en negatieve versie. Een voorbeeldje: de patiënt vertelt tijdens een sollicitatiegesprek over zijn relevante werkervaring. Dan kan de avatar reageren met: “Dat klinkt interessant; ik denk dat het zeker bij deze functie aansluit.” Maar hij kan ook zeggen: “Nou, dat is niet echt relevant, denk ik. Maar goed, laten we verder gaan.”

De moeilijkheidsgraad wordt zo ingesteld dat de patiënt angstig wordt, maar niet te heftig. “Nu zit de therapeut nog aan de knoppen. Wij willen naar een systeem toe dat de virtuele wereld automatisch aanpast aan iemands angstniveau”, vertelt Brinkman. Daarvoor ontwikkelt zijn team technologie die meet of de hartslag stijgt en om de vier minuten aan de patiënt vraagt hoe angstig hij is. Die informatie resulteert in een score van 1 tot 10. Als de therapeut op een angstniveau van 7 wil uitkomen en halverwege de oefening blijkt dat de patiënt daar ruim onder zit, wordt het gesprek automatisch moeilijker: de gesprekspartner zal onvriendelijker reageren en de patiënt meer aanstaren.

Net echt

Maakt het dan niet uit dat het niet echt is? Waarschijnlijk niet. Brinkman ontdekte dat virtuele sollicitatiegesprek- ken zelfs al effect hadden op ‘normale’ studenten. Proefpersonen die negatievere reacties hoorden, voelden zich ongemakkelijker, zelfs al wisten ze dat het een nepgesprek was. Daarnaast versnelde hun hartslag en werden hun antwoorden korter.

Ook uit verschillende andere onderzoeken blijkt dat VR-therapie net zulke angstreacties opwekt als de echte wereld. Natuurlijk weet je dat je met een VR-bril op je hoofd niet echt bovenaan een trap staat of met een mens van vlees en bloed praat. Maar een deel van ons brein trapt er wel in, wat de virtuele wereld ideaal maakt om onbewuste reflexen uit te lokken. Dat ontdekte ook klinisch psycholoog Mike Rinck van de Radboud Universiteit Nijmegen, toen hij proefpersonen met en zonder spinnenangst bestudeerde. In een virtuele ruimte van 4 bij 8 meter konden ze vrij rondlopen, terwijl sensors hun beweging volgden. Op verschillende plekken zaten spinnen, al dan niet bewegend. Degenen met spinnenangst bevroren zodra ze er een in het vizier kregen, keerden om of liepen er met een boog omheen, terwijl ze de spin niet uit het oog verloren. Proefpersonen zonder fobie liepen onverstoorbaar rond, spin of geen spin. Iets soortgelijks gebeurde toen Rinck mensen met sociale angst naar avatars liet lopen om woorden en cijfers op hun shirts te lezen. Zij hielden meer afstand dan niet-angstige proefpersonen. En deze avatars spraken of bewogen niet eens.

Hologramtherapeut

Nou kan rondlopen in een virtuele wereld de onderzoeker misschien veel leren over onbewust ontwijkgedrag bij angststoornissen, maar voor therapie is zoveel beweging vaak onnodig. Voor een virtueel gesprek zijn een stoel en een tafel voldoende. In de toekomst is dat gewoon de eigen keukentafel, wat Brinkman betreft. Het meeneemkoffertje met VR-bril en handleiding staat zelfs al klaar. Helaas bleek het geheel door alle stekkers en draadjes te ingewikkeld om thuis aan de praat te krijgen. Maar nu VR-brillen op het punt staan de consumentenmarkt te veroveren, zal het niet heel lang meer duren voordat de industrie het eenvoudiger maakt om de apparatuur aan te sluiten.

Tot die tijd blijft Brinkman met zijn collega’s de VR-technologie testen en verfijnen. Zo moet de thuistherapie uiteindelijk onder toeziend oog staan van een virtuele coach; een poppetje op het computerscherm dat de patiënt vertelt welke oefeningen voor hem klaarstaan, en zegt na afloop hoe het ging. Het zou de lasten voor zorgverleners, die door de vergrijzing alleen maar groter worden, in de toekomst kunnen verlichten.

Maar een poppetje in plaats van een echte hulpverlener, gaat dat werken? Brinkman: “De relatie met de therapeut is heel belangrijk voor de motivatie van patiënten. De vraag is of je die ondersteuning deels kunt laten overnemen door een intelligent stuk software. Natuurlijk blijven er patiënten voor wie dit ongeschikt is. Maar als het voor een grote groep werkt, kan de therapeut meer mensen tegelijkertijd helpen.”

Eenzelfde toekomstgedachte houdt André Tjaarda van Denk bezig. Contact met de behandelaar blijft belangrijk, benadrukt hij. “Maar het is wel interessant om te kijken waar de grens ligt: hoeveel sessies zijn minimaal nodig?” Ook ziet hij wel wat in een virtuele behandelkamer, waar hij bijvoorbeeld een patiënt op Ameland virtueel ontmoet. En zijn ultieme fantasie? “Een soort holodeck, zoals in Star Trek, waarmee je je eigen virtuele hologramtherapeut kunt inschakelen. Of waarmee je visite in je eigen huiskamer projecteert, als feestjes geven een van je angsten is.”

 

+++

Therapeutische VR-werelden
Virtual-reality-therapie kan uitkomst bieden bij allerlei angststoornissen. Veel VR-therapieën helpen angstpatiënten met behulp van voorgeprogrammeerde animaties of beelden, maar ook het zelf bouwen van virtuele werelden kan therapeutisch werken. Drie voorbeelden:
Oorlogstrauma’s & kindermisbruik
Mensen traumatische herinneringen zélf laten visualiseren vanachter de computer: daarvoor ontwikkelde het lab van Willem-Paul Brinkman (TU Delft) software die nu in de praktijk wordt getest. Zo kan een oorlogsveteraan tanks exact zo plaatsen als ze tijdens een aanval stonden en kan een misbruikslachtoffer zijn kinderkamer virtueel inrichten.
Schizofrenie
Onderzoekers van University College London testen momenteel een therapie waarin schizofreniepatiënten met auditieve hallucinaties een avatar maken van hun stem. Vervolgens praten ze via die avatar met hun therapeut. Uit een eerste, kleinschalige studie bleek dat patiënten na afloop hun stemmen minder vaak en heftig horen.
Anorexia
Virtuele therapie kan iemands verstoorde lichaamsbeeld helpen veranderen. Zo lieten Spaanse onderzoekers anorexiapatiënten binnen een veelbelovende VR-therapie zelf een 3D-figuur maken van hoe zij hun lichaam zagen, waar hun echte lichaam overeen werd geprojecteerd. Kwamen de twee niet overeen, dan moesten ze hun creatie aanpassen.

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2020 Anouk Broersma

Thema door Anders Norén