Anouk Broersma

Wetenschapsjournalist en redacteur Schrijft vanuit Nijmegen o.a. over psychologie, brein en gezondheid. Contact? info@anoukbroersma.nl

Smartphonesmart – verpesten mobieltjes ons leven?

Volgens doemdenkers maken mobieltjes ons depressief, zijn ze rampzalig voor ons concentratievermogen en veranderen ze ons in sociale horken. Maar is dat wel zo?

Dit artikel verscheen eerder in KIJK nummer 9, 2018. Bovenstaande foto is van mijzelf.

Apple moet de jeugd helpen beschermen tegen overmatig smartphonegebruik, schreven twee aandeelhouders begin dit jaar in een openbrief aan het bedrijf. Al dat appen, gamen en liken zou het risico op depressie en concentratieproblemen vergroten.

Het is zeker niet de eerste keer dat de smartphone wordt neergezet als verleidelijk monster dat ons leven overneemt. Er zijn allerlei boeken over smartphoneverslaving geschreven en om de zoveel tijd begint iemand over digitaal detoxen.

Dat we de telefoon veel in de hand hebben, zullen weinig mensen ontkennen. Maar is dat echt zo’n groot probleem? Veranderen we in ongelukkige smartphonejunkies? Of is er veel paniek om weinig?

Puur toeval

Een belangrijke bron voor de open brief aan Apple was de Amerikaanse psycholoog Jean Twenge. De huidige generatie tieners ‘staat op het punt van de ergste geestelijke gezondheidscrisis in decennia’, schreef ze in een artikel in The Atlantic. Daarin haalt ze verschillende studies aan die een link vonden tussen smartphonegebruik en depressie. In een eigen onderzoek, waarin ze data van 2010 en 2015 vergeleek, ontdekte Twenge dat pubers in die periode meer symptomen van depressie waren gaan vertonen. De oorzaak was wat haar betreft duidelijk: hun telefoons. Wie dagelijks sociale media gebruikte liep volgens haar data meer risico op het ontwikkelen van depressiesymptomen, vooral meisjes. En dagelijks drie uur of langer naar smartphones of andere schermen turen verhoogde het risico op zelfmoordgedachtes.

Dat klinkt best heftig. Maar, wierpen andere onderzoekers al snel tegen, het gaat slechts om – nogal zwakke – correlaties. Veroorzaakt schermgebruik depressie of is het andersom? Dat valt niet zo stellig te zeggen als Twenge doet. Misschien nemen eenzame, depressieve tieners sneller hun toevlucht tot hun telefoon. De gevonden kan zelfs puur toeval zijn. Misschien speelt er onder ongelukkige jongeren nog iets heel anders mee wat de onderzoekers niet hebben gemeten.

In Europese data ziet psycholoog Regina van den Eijnden, verbonden aan de Universiteit Utrecht, die sociale mediaverslaving onderzoekt, niet eens bewijs dat kinderen depressiever worden. ‘Levenstevredenheid is over de jaren min of meer stabiel gebleven.’ Dat terwijl ook Nederlandse jongeren bijna vergroeid zijn met hun telefoons. Als Van den Eijnden pubers op de man af vraagt hoe verslaafd ze zichzelf vinden, geeft de helft zichzelf een hoge score. Dat wil nog niet zeggen dat het hun leven ontwricht zoals zware verslavingen kunnen doen. Met een checklist van negen vragen, gebaseerd op gameverslaving, voldoet nog maar één op de twintig jongeren aan de criteria voor problematisch smartphonegebruik. Misschien gebruiken we het woord ‘verslaving’ iets te gemakkelijk, zoals we kunnen verzuchten dat we verslaafd zijn aan chocolade of aan Netflix.

Actief Facebooken

De grootste doemdenkers maken zich ook vaak schuldig aan cherry picking: ze verwijzen wel naar studies, maar alleen als die hun punt onderstrepen. Zou je alle studies over schermgebruik en sociale media naast elkaar leggen, dan komt er helemaal niet zo’n eenduidig beeld uit. Er zijn bijvoorbeeld ook studies die aantonen dat sociale media kunnen bijdragen aan zelfvertrouwen en sociale verbondenheid. In een Britse studie onder 120.000 jongeren bleek dagelijks 1 tot 3 uur schermgebruik ideaal. Jongeren die zoveel tijd besteedden aan computers en smartphones scoorden hoger op welzijn dan leeftijdsgenoten die meer én minder schermtijd rapporteerden.
Of we gelukkig of ongelukkig worden van onze smartphone ligt er ook aan wát we ermee doen. De ene app is de andere niet. En een platform als Facebook kun je op verschillende manieren gebruiken.

Onderzoekers van de KU Leuven en Universiteit van Michigan analyseerden vorig jaar een reeks studies op het gebied van sociale media en welzijn. Hun voorzichtige conclusie: wie actief berichten plaatst en veel interactie heeft met anderen, haalt er meer plezier uit dan degenen die sociale media vooral passief gebruiken. Van den Eijnden: ‘Alleen andermans profielen lezen, lijkt somberder te maken. Dat komt vermoedelijk doordat mensen vooral positieve berichten en foto’s posten. Zoiets geeft al snel het gevoel dat anderen een leuker leven hebben.’

Ik phub, jij phubt

Als het gaat om sociaal contact ziet hoogleraar communicatie en technologie Marjolijn Antheunis van Tilburg University positieve én negatieve effecten van onze mobieltjes. In de beginjaren had sociale media vooral voordelen. ‘De sociale verbondenheid neemt toe, het is makkelijker om in contact te blijven met mensen die je weinig face-to-face ziet.’ Maar nu de smartphone er is, kunnen we 24/7 online contact onderhouden. ‘Er zijn nu veel meer sociale interacties tegelijk gaande. Je zit bijvoorbeeld op het terras met een vriendin, maar appt ondertussen ook met je moeder én houdt werkberichtjes in de gaten. Allemaal afleidingen van het gesprek met de vriendin die je eerst niet had.’

Phubbing wordt het genoemd, het fenomeen dat je in sociale situaties anderen negeert om op je telefoonschermpje te turen. En dat wordt vaak niet in dank afgenomen. Uit diverse studies blijkt dat phubbing invloed heeft op de kwaliteit van face-to-face-gesprekken. Het kan zelfs tot een relatiecrisis leiden: phubbende geliefden zijn minder tevreden over hun relatie dan stellen die elkaar vaker in de ogen kijken. De negatieve effecten zijn doorgaans groter bij oudere mensen dan bij jongeren. Antheunis: ‘Waarschijnlijk doordat jongeren ermee zijn opgegroeid. Ze vinden phubben normaler, dus staan er toleranter tegenover.’

Grammaticale training

Kinderen leren door al dat berichtjes tikken ook niet meer goed genoeg hoe ze één-op-één gesprekken in de echte wereld moeten voeren, schrijft de Amerikaanse psycholoog Adam Alter in het boek Superverslavend. Hij is lang niet de enige met die vrees, maar echt bewijs is er niet. Uit een survey van Antheunis bleek zelfs dat sociale mediagebruik bij jongeren

Over de taalkennis van de appende generatie hoeven we ons ook weinig zorgen te maken, ondanks al die kromme zinnen en afkortingen in online gesprekken. In een experiment van de Universiteit Utrecht uit 2016 waren tien- tot dertienjarigen die veel ‘fout’ tikten in berichtjes juist béter in grammatica. Vooral het weglaten van woorden in zinnen hing sterk samen met een goede score op een taaltest. De onderzoekers denken dat berichtjes tikken een soort grammaticatraining is. Kinderen moeten nadenken welke woorden ze kúnnen weglaten zonder dat de zin onbegrijpelijk wordt. Andersom is het voor degenen die goed in taal zijn waarschijnlijk makkelijker om creatieve zinnen en woorden te brouwen.

‘Minder dan een goudvis’

Nog een veelgehoorde angst: smartphones zouden ons brein zó fundamenteel veranderen dat we ons niet meer langere tijd kunnen concentreren. Op de telefoon duurt alles wat we lezen, schrijven en kijken immers kort en schakelen we snel. Wie dat argument gebruikt sleept er vaak een hersenstudie bij die Microsoft in Canada zou hebben gedaan. Hun conclusie: de aandachtspanne is tussen 2000 en 2015 – toevallig exáct de periode dat mobiele telefoons in ons leven kwamen – gezakt van 12 naar 8 seconden, een seconde minder dan een goudvis. Prachtig onderwerp voor op feestjes, maar er klopt niets van. Ten eerste is het een mythe dat we de spanningsboog van goudvissen kennen, ten tweede is dat hele Canadese onderzoek in nevelen gehuld. Een BBC-journalist las als één van de weinigen het Microsoft-rapport en ontdekte dat zij dit niet zelf hadden onderzocht. Ze verwezen slechts naar een vage, niet te traceren bron.

Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat smartphones ons concentratievermogen hebben verslechterd, benadrukt ook Stefan van der Stigchel, hoofdonderzoeker bij het attention lab van de Universiteit Utrecht. ‘Dat betekent niet dat het niet waar is, maar het zou wel vreemd zijn. Zo’n evolutionaire breinverandering kost veel meer tijd dan die enkele jaren dat we smartphones hebben.’ In potentie kunnen we ons nog steeds prima concentreren, is de geruststellende boodschap van Stichel. ‘Mensen kunnen urenlang Netflix kijken, waarom zou een YouTubefilmpje dan niet langer dan een paar minuten mogen duren?’

Wat wél evolutionair zit ingebakken is dat we reageren op geluiden uit de omgeving. ‘Dat is op zich goed. Als iemand je huis binnenstormt, wil je daar alert op zijn. Maar er zijn nu veel meer prikkels dan vroeger.’ Door de komst van de smartphone raken we dus waarschijnlijk tegenwoordig wel váker uit onze concentratie. Bij elk WhatsAppbliepje heb je toch de neiging even te kijken. ‘We weten dat je je concentratie op dat soort momenten gemakkelijk kwijt kunt raken, maar het valt ook te trainen om dat vervolgens snel weer op te pakken.

Kortom, laten we ons vooralsnog geen zorgen maken dat smartphones ons brein verpesten. Of dat het een generatie aan depressieve, sociale horken voortbrengt. Het grootste probleem lijkt te zijn dat we meer zijn gaan multitasken. Dat is een kwestie van timemanagement, van de notificaties uitzetten als je bezig bent of je telefoon eens thuislaten als je gaat wandelen. Angst voor nieuwe technologie is sowieso van alle tijden. Ook de ouderwetse telefoon, televisie en spelcomputers werden met de nodige argwaan ontvangen. Zelfs de Griekse filosoof Plato schreef al over het gevaar van het geschreven woord. Wie te veel kennis uit boeken haalde, zou wel eens kunnen stoppen met zelf nadenken.

Bronnen die ik o.a. gebruikte voor dit artikel:

Jean Twenge: Have smartphones destroyed a generation? The Atlantic, September 2017
Sara Rose Cavanagh: No, smartphones have not destroyed a generation. Medium, 6 augustus 2017
Adam Alter: Superverslavend. Maven Publishing, 2017
A. Przybylski & N. Weinstein: A large-scale test of the goldilocks hypothesis. Psychological Science, 2017

+++

Drie trucs om je telefoon te negeren

Je kunt natuurlijk de vliegtuigstand inschakelen, maar er zijn leukere manieren om afleiding te voorkomen.

Laat bomen groeien
Er bestaan allerlei apps om je telefoon tijdelijk te blokkeren, maar met Forest kun je ook nog eens heel rustgevend boompjes laten groeien. Hoe vaker je van je telefoon afblijft, hoe groter je bos wordt.

Stapel telefoons op
De ‘phone stacking game’ werd een paar jaar geleden populair. Het concept is simpel: leg tijdens een avondje uit alle telefoons in een stapel op tafel. Wie het eerst zwicht en zijn telefoon pakt, betaalt de rekening. Daar vallen thuis ook wel varianten op te bedenken.

Maak een farradayhoes
Op killyourphone.com staan tips om je eigen ‘Farradayhoesje’ te knutselen, een telefoonhoes die alle signalen blokt. Het is vooral bedoeld om te voorkomen dat je traceerbaar bent, maar het levert ook een origineel hoesje op én een excuus waarom je niet continu bereikbaar bent.

Internet en smartphones in cijfers

98 procent van de Nederlandse huishoudens heeft een internetaansluiting. Daarmee zijn we samen met Luxenburg en Denemarken Europees koploper.

84 procent van de Nederlanders gebruikte in 2017 buitenshuis of op het werk een smartphone. In 2015 was dat nog 71 procent.

82 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder gebruikt mobiel internet.

85 procent van de Nederlanders gebruikt sociale media. Jongeren en jongvolwassenen zitten bijna allemaal op sociale media.

64 procent van de 65-75 jarigen zat in 2017 op sociale media, in 2012 was dat 24 procent. Van de 75-plussers gebruikte 35 procent in 2017 sociale media, tegenover 5 procent in 2012.

Bron: Eurostat en CBS, 2017

 

Doneren

Dit artikel kon je gratis lezen via mijn website. Waardeer je het en wil je dat laten blijken? Je kunt mijn journalistieke werk steunen met een donatie.

Totaal: € -

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2020 Anouk Broersma

Thema door Anders Norén