Hebben ADHD, autisme, schizofrenie en depressie dezelfde genetische basis?

Stel, je krijgt van de psychiater niet één, maar twee labeltjes toebedeeld. Als ADHD’er blijk je bijvoorbeeld ook autistische trekjes te hebben, of je krijgt naast schizofrenie ook last van zware depressies. Toeval? Misschien niet.

Dit artikel verscheen eerder in maandblad Quest (nummer 3, 2020)
Foto: Petra B. Frits (via Flickr)

Uit statistieken blijkt dat best veel mensen met meer dan één psychische aandoening rondlopen. Een voorbeeld: 30 tot 50 procent van de mensen met autisme zou ook een vorm van ADHD hebben. Zo’n 60 tot 80 procent van de mensen met ADHD krijgt naar schatting een tweede stoornis, zoals depressie of een fobie. Het Trimbos Instituut ondervroeg ongeveer tien jaar geleden 6500 Nederlanders naar hun mentale gezondheid. Van degenen die in het jaar ervoor last hadden van angststoornissen, depressie, verslaving of gedragsstoornissen als ADHD bleek een derde daarnaast minstens één andere aandoening te hebben. Hangen psychische stoornissen met elkaar samen? Zijn er misschien bepaalde genen verantwoordelijk voor meerdere aandoeningen? Dat is een theorie die onder psychiaters al enige tijd rondgaat. En de laatste vijf jaar duikt er steeds meer bewijs op dat dat klopt.

99 procent gelijk
‘Gen gevonden voor…’ zie je vaak in de nieuwskoppen. Je zou er bijna door geloven dat ons DNA geen geheimen meer heeft voor wetenschappers, maar eigenlijk hebben ze nog maar het topje van de ijsberg gevonden. Voor 99 procent zijn we als mensen genetisch gelijk, vertelt biologisch psycholoog Tinca Polderman (Vrije Universiteit Amsterdam). ‘Het is die één procent die genetisch bijdraagt aan verschillen in ons gedrag, dus daar zijn we als onderzoekers in geïnteresseerd’. Eén procent klinkt lekker overzichtelijk, maar dat valt toch tegen. Die ene procent bestaat uit zo’n honderd miljoen ‘genetische varianten’, kleine stukjes bouwstenen in het DNA die per persoon kunnen verschillen. Zie maar eens uit te vogelen welke varianten invloed hebben op hyperactief gedrag, welke op somberheid en welke op allebei. Wat niet meehelpt is dat bij geen enkele psychische aandoening slechts één gen de oorzaak is. Polderman: ‘Heel veel genetische varianten spelen een rol. Niet alleen bij psychiatrische stoornissen, maar bijvoorbeeld ook bij intelligentie, persoonlijkheid en zelfs lengte of gewicht.’

Niet 100 procent

Geen enkele psychische aandoening is 100 procent erfelijk, je omgeving speelt altijd een rol. ‘Omgeving’ kan van alles zijn, van je moeder die tijdens de zwangerschap ziek was tot de omgeving waarin je opgroeit, giftige stoffen die je mogelijk binnenkrijgt en wat je in je leven meemaakt. Hoe dat precies beïnvloedt of je een stoornis krijgt – of meerdere – is nog een mysterie voor onderzoekers. Men weet alleen dát omgeving meespeelt. Zo zou ADHD, autisme en schizofrenie voor 60 tot 80 procent te verklaren zijn vanuit de genen, de rest is de invloed van de omgeving. Depressie is intussen voor slechts zo’n 40 procent genetisch bepaald.

Voorspeller voor ADHD
Het uitpluizen van al die genetische varianten is sinds een paar jaar pas goed van de grond gekomen. Hoe? Door DNA-data van enorm veel mensen op één hoop te gooien. Vind je verschillen in het DNA van twintig mensen met en zonder ADHD, dan kan dat toeval zijn. Vind je datzelfde verschil in groepen van 20.000 of zelfs 200.000 mensen, dan kun je zeggen dat je iets op het spoor bent. Onderzoekers bundelen daarom steeds vaker hun krachten, om in internationale projecten de informatie over honderdduizenden mensen te verzamelen.
Zo’n drie tot vijf miljoen van die honderd miljoen genetische varianten worden nu onderzocht in dat soort massastudies, voor allerlei eigenschappen. Dat begint langzaam vruchten af te werpen, vertelt Polderman. ‘Voor ADHD hebben we nu vijf of zes genetische varianten ontdekt.’ Heb je er daar één of meer van, dan is de kans groter dat je ADHD hebt. Al hoeft dat niet. Het kunnen ook een soort slapende genen zijn waar je verder niets van merkt. Polderman: ‘Zes varianten is nog steeds heel weinig, voor intelligentie kennen we er bijvoorbeeld al zo’n 200. Maar we zijn blij dat we er eindelijk een paar hebben, en ze blijken toch al een behoorlijk goede voorspeller voor ADHD-symptomen.’

Tweelingen onder de loep
Die grote DNA-studies leveren ook steeds meer bewijs op dat sommige genetische variaties een vinger in de pap hebben bij meer dan één psychische stoornis. Uit tweelingstudies vermoedden onderzoekers eerder al dat er een biologische link is tussen bepaalde aandoeningen, zoals ADHD en autisme. In die onderzoeken worden grote groepen eeneiige tweelingen gevolgd en vergeleken met twee-eeiige tweelingen. Die laatsten delen net als broers en zussen van verschillende leeftijden ongeveer vijftig procent van hun DNA, terwijl een identieke tweeling genetisch gelijk is. Is een aandoening erfelijk, dan is bij identieke tweelingen de kans veel groter dat zij het allebei hebben dan bij ‘gewone’ broers en zussen.
Polderman bestudeerde met data van Zweedse en Nederlandse tweelingen de overlap tussen ADHD en autisme. Volwassenen met autisme bleken ook meer kans te hebben op de typische aandachtsproblemen van ADHD. De link tussen autisme en het hyperactieve gedrag van ADHD leek minder sterk, al kwam die later in Zweedse en Britse studies met kinderen wél naar voren.
Inmiddels onderzoekt Polderman de genetische overlap niet meer met data uit tweelingen, maar bij de basis: in de genen. Polderman: ‘Ook als je naar genetische varianten kijkt, lijken stoornissen met elkaar samen te hangen.’

Dwangmatig niet eten
Zo kwam in 2018 een onderzoek naar buiten van The brainstorm consortium, waar zo’n 650 onderzoeksinstituten aan hadden meegewerkt. Zij ontdekten een sterke link tussen schizofrenie, manisch-depressiviteit, angststoornissen, ADHD en depressie. Tegelijkertijd vonden ze een link tussen anorexia, dwangstoornissen en schizofrenie. Autisme bleek het sterkst samen te hangen met schizofrenie.
Bij sommige stoornissen lijkt de link best logisch, als je kijkt naar de symptomen. Wie een eetstoornis heeft, is dwangmatig bezig met eten, dus is dat eigenlijk inderdaad niet een vorm van een dwangstoornis? En schizofrenie is vaak te herkennen aan psychoses, die net als angststoornissen angstgevoelens kunnen opwekken.
De link tussen ADHD en autisme werd bij The brainstorm consortium niet gevonden. Eerder dit jaar gebeurde dat wel in een studie die keek naar een nog veel grotere groep van 18.000 mensen met autisme. Ook die overlap is volgens onderzoekers niet vreemd. Beide zijn stoornissen die meestal in de kindertijd ontstaan en waarbij ‘aandacht’ een belangrijk probleem is: bij ADHD hebben kinderen vaak moeite zich lang ergens op te concentreren, kinderen met autisme kunnen juist helemaal opgaan in één thema. Ze weten bijvoorbeeld alles over treinen of storten zich maandenlang op een enorm lego-bouwproject.

Actieve genen in het brein

Een bepaald gen hebben, betekent niet direct dat je daar iets van merkt in je gedrag. Genen kunnen ‘aan’ of ‘uit’ staan, en dat kan volgend jaar ook nog eens anders zijn dan dit jaar. Onderzoekers bekijken die ‘gen-expressie’ in het brein om meer te leren over psychische stoornissen, al is dat geen eenvoudig klusje. Je kunt niet op hersenscans zien welke genen ‘aan’ staan. Er zijn technieken om het te analyseren via bloedmonsters, maar de meest directe manier is het opensnijden van het brein van patiënten na hun dood. Dat is precies wat onderzoekers van de Universiteit van California vorig jaar deden. Ze bestudeerden de patronen in genetische expressie in de hersenschors van zo’n 300 gezonde donoren en 700 donoren die bij leven autisme, schizofrenie, bipolaire stoornis, depressie of alcoholisme hadden. Net als andere studies vonden ze overlap tussen de aandoeningen, hoewel niet helemaal zoals verwacht. In de praktijk lijken de symptomen van depressie en bipolaire stoornis (waarbij manische en depressieve periodes elkaar afwisselen) bijvoorbeeld op elkaar, maar de onderzoekers vonden meer genetische gelijkenissen in het brein bij mensen met bipolaire stoornis en schizofrenie. Alcoholisme leek helemaal los te staan van de rest, terwijl dat volgens eerdere studies vaak samengaat met andere mentale problemen. Het laatste woord is er dus nog niet over gezegd.

Risicovolle genen
Onze genen lijken zich dus weinig aan te trekken van die strikte scheiding tussen stoornissen die we in de praktijk hebben bedacht. Moeten de psychiatrische handboeken op de schop? Dat kan inderdaad het resultaat zijn, als er straks genoeg genetische massastudies liggen voor een mooi totaalplaatje van de invloed van specifieke genen op allerlei stoornissen. Het zou zeker niet de eerste keer zijn dat namen of omschrijvingen van stoornissen veranderen (zie kader ‘uitgestorven stoornis’).
Maar het feit dat stoornissen zo vaak samen voorkomen, en dat onderzoekers allerlei genetische gelijkenissen vinden, kan ook betekenen dat ze allemáál eenzelfde biologische basis hebben. Steeds meer onderzoekers denken dat sommige genetische varianten simpelweg het risico vergroten op ‘een’ psychische stoornis, welke dan ook. Polderman: ‘Ik geloof daar wel in, dat er een soort algemene kwetsbaarheid is voor psychisch lijden.’ Hoe dat in de praktijk uitpakt, welke symptomen je krijgt, ligt dan misschien weer aan andere genen of aan omgevingsfactoren.

Pillen op maat
Het zou mooi zijn als die grote genetische studies uiteindelijk ook helpen begrijpen welke behandeling het beste is. ‘De medische behandeling van psychiatrische problemen zit al een jaar of dertig muurvast’, zegt Polderman. ‘Er zijn heel weinig ontwikkelingen. Medicatie werkt soms wel, soms niet.’ Ritalin bij ADHD is een voorbeeld van een succesverhaal, maar zelfs dat werkt maar bij de helft van de patiënten goed.
Wie weet neemt de psychiater voor het stellen van een diagnose en de juiste behandeling in de toekomst wel een DNA-monstertje af. Of nog een stap verder gedacht: misschien kan hij aan het persoonlijke DNA-profiel van zijn patiënt aflezen welk medicijn het beste zal werken.
Het is een toekomst die niet eens zo ver weg lijkt. In het Erasmus MC in Rotterdam opende vorig jaar een speciale polikliniek waar artsen experimenteren met psychiatrische medicatie op basis van DNA-profielen. Nu kijken ze daarbij vooral naar genetische aanleg voor bijwerkingen of het moeilijker afbreken van medicatie in het lichaam. Maar misschien kunnen artsen over een tijdje – vele genetische massastudies verder – patiënten nog persoonlijker behandelen op basis van hun genen. In het meest perfecte toekomstplaatje krijgt iemand één pilletje dat tegen zijn ADHD én depressie helpt, in plaats van een batterij aan medicijnen en therapieën die weinig doen.

Uitgestorven stoornis

Namen en omschrijvingen van psychische stoornissen veranderen vaak op basis van nieuwe ideeën en inzichten. Of ze verdwijnen helemaal. Vier stoornissen van weleer:

Naam toen? Hyperkinetic impulse disorder
Naam nu? ADD of ADHD
Sinds wanneer? In 1980 werd ‘Attention Deficit Disorder’ (ADD) een officiële diagnose, in 1987 kwam ‘Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) daarbij.
Waarom die nieuwe naam? Vroeger zagen onderzoekers hyperactiviteit als belangrijkste symptoom, in de jaren 70 kwam meer nadruk op aandachtsproblemen.

Naam toen? Aspergersyndroom, klassiek autisme, PDD-NOS en nog een aantal andere termen
Naam nu? Autismespectrumstoornis
Sinds wanneer? 2013
Waarom die nieuwe naam? Symptomen kunnen enorm variëren, patiënten passen niet altijd even goed in één autismehokje. Psychiaters beoordelen de ernst van de symptomen nu op een schaal, waarbij ze kijken hoe iemand ‘scoort’ op sociale interactie en herhaalgedrag.

Naam toen? Dementia Praecox
Naam nu? Schizofrenie
Sinds wanneer? De Zwitserse psychiater Eugen Bleuler introduceerde de term ‘schizofrenie’ in 1911
Waarom die nieuwe naam? De aandoening leidde bij nader inzien niet per se tot ‘verval’ van het brein, zoals bij dementie. Wel was er sprake van verwarde gedachtes, dus Bleuler koos voor de Griekse term voor ‘gespleten brein’. Hij bedoelde het niet als ‘gespleten persoonlijkheid’, een misverstand over schizofrenie dat nog altijd bestaat.

Naam toen? Hysteria
Naam nu? Geen
Sinds wanneer? In de jaren vijftig verdween het uit de psychiatrische handboeken
Waarom? Er was geen enkel bewijs voor het bestaan van een ziekte die vrouwen hysterisch maakte. Psychiaters beschreven zóveel verschillende symptomen, dat het waarschijnlijk veel misdiagnoses waren van andere psychiatrische aandoeningen of zenuwziektes als MS of epilepsie.

Doneren

Dit artikel kon je gratis lezen via mijn website. Waardeer je het en wil je dat laten blijken? Je kunt mijn journalistieke werk steunen met een donatie.

Totaal: € -

 

About the author

error: Content is protected !!